De bestaansbronnen van de inwoners van Holysloot.

De eerste bewoners van Holysloot zijn boeren en vissers geweest. Ze hebben waarschijnlijk een gemengd agrarisch bedrijf, dat wil zeggen dat ze zowel graan verbouwen als vee houden voor vlees en  zuivelproducten als kaas en boter en vooral voor mest om de vruchtbaarheid van de akkers op peil te houden.
Dit verandert vanaf het einde van de 13e eeuw. Het land is dan zover ingeklonken dat het land te drassig wordt voor de akkerbouw. In het boerenbedrijf wordt de veehouderij steeds belangrijker. Maar daarvoor zijn minder handen nodig dan voor akkerbouw.

Gevelsteen 

Zuivelproductie is in die tijd bovendien vooral een vrouwenzaak. Voor de mannen zijn er allerlei andere activiteiten zoals visserij, handel en zeevaart. Men is niet of boer, visser of handelaar, men is het vaak allemaal.

Opkomst van handel en zeevaart

Zo blijkt uit een enquête van 1514 dat in vele dorpen in Waterland en de Zeevang zeevaart en handel de belangrijkste inkomstenbron vormden. In de Gouden eeuw neemt met name de handel op de Oostzee (de moedernegotie van Amsterdam) nog sterk toe. Bijna de helft van de Hollandse schippers die op de Oostzee varen komen uit Waterland (vooral Ransdorp en Nieuwendam). Uit Holysloot komen vele varensgasten.

Uit de reeds aanwezige bronnen valt op te maken dat in de loop der eeuwen de bestaansbronnen zijn verschoven van zeevaart en handel (vele Holysloters waren in de 17e eeuw bemanningsleden van zeeschepen op de Oostvaart) naar veeteelt in de 18e en 19e eeuw.

De zoetboeren  vanaf de 17e tot de eerste helft van de 20e eeuw

In de tweede helft van de zeventiende en de achttiende eeuw nemen de betekenis van handel en zeevaart af. De veehouderij domineert.

Van de 17e t/m de 19e eeuw zijn de meeste veehouders in Waterland en ook die in Holysloot actief betrokken bij de melkvoorziening van de hoofdstad. Zij worden zoetboeren genoemd. Zoete melk is gekookte rauwe melk met room die rechtstreeks van de koe afkomstig is. De andere veehouders die ook in Holysloot aanwezig zijn, zijn de kaas- en boterboeren. Zij leveren karnemelk, de zure melk die na het karnen en het scheiden van de hierdoor ontstane botermassa, overblijft als bij product.

Dr B.G.L.M. Tosseram, die jarenlang onderwijzer is geweest in Ransdorp heeft daarover een boek (zijn proefschrift) geschreven midden in de crisis van de jaren ’30 van de vorige eeuw (1)

  • G.L.M. Tosseram: Het melkwinningsgebied van Amsterdam, een sociografische studie over consumptiemelkers, uitg. J. Muusses, Purmerend, 1937, 230 blz.

Tosseram pleit voor overheidsmaatregelen om de kwaliteit van de melk te verbeteren en  tegelijkertijd de “zoetboeren” (zoals de consumptiemelkers worden genoemd) een redelijk bestaan verzekeren.

In de eerste helft van de vorige eeuw is Amsterdam voor de melkvoorziening (meer dan 300.000 liter per dag) geheel afhankelijk van het omringende platteland.
8rechtstreeks naar de stad brengen.
Vroeg in de ochtend (tussen 4 en 5 uur) worden de koeien gemolken en de melk wordt daarna naar de melksteiger in Ransdorp gevaren. Vandaar vaart de melkschuit – een smalle open boot – door de Weersloot en het Nieuwendammer sluisje over het IJ naar de melkmarkt tegenover het Centraal Station.

Hier een foto van de melkschuit en de melksteiger in Ransdorp (blz. 29 van Zwaan

De meeste boeren bezitten hier zgn. “vaarland”. De boerderijen staan zonder land in het dorp, zodat men vaak grote oppervlakten weiland kan waarnemen met slechts hier en daar een boerderij. Alleen per boot, met de jol, de praam of de “plat” (*) is het bovendien vaak zeer versnipperde land bereikbaar.

  • De kleine jol wordt gedurende de weidetijd bij het melken gebruikt; de grotere praam wordt ’s zomers voor het hooi- en ’s winters voor het mestvervoer gebezigd; de platten dienen voor het verweiden van het vee.

{Hier een foto van een consumptiemelker die met zijn jol naar een weiland vaart om zijn koeien te gaan melken (blz. 18/19 boek Tosseram}

De gemiddelde grootte van deze boerenbedrijven in Waterland is vrij beperkt. Tosseram meldt de volgende gegevens voor kleine (1-10 ha) middelgrote (11-20 ha)  en grotere (21 ha en meer) bedrijven voor Holysloot en enkele omringende dorpen in 1929:

Plaats Klein
(1-10ha) 
% Middel
(11-20 ha)
% Groot
(>20 ha)
% Totaal
Holijsloot 8 27% 17 59% 4 14% 29
Ransdorp 11 38% 12 41% 6 21% 29
Zunderdorp 5 12% 28 68% 8 20% 41
Schellingwoude 4 25% 9 56% 3 19% 16
Nieuwendam 7 47% 6 40% 2 13% 15
Zuiderwoude 9 43% 12 57% 0 0% 21
Broek in Waterland 21 30% 32 48% 15 22% 68


Van hannekemaaijers tot cyclomaaiers

Een apart verschijnsel in de periode tussen de twee wereldoorlogen is  de komst van de “Drentse poepen” en de Geldersmannen en de Hannekemaaiers (die uit Duitsland kwamen). Zij komen in Waterland zes tot acht weken het gras maaien en melden zich in Purmerend op de kaasmarkt met een plunjezak en een omgebonden zeis. Ze worden dan ingehuurd door de boeren van Waterland en slapen in een van de bedsteden in de boerderij.

Na de tweede wereldoorlog is het voorbij met deze losse arbeiders, ook al door de komst van de maaimachines, die eerst nog door de boer of boerenknecht worden bediend maar later steeds verder is gemechaniseerd In het lezenswaardige boek Boeren in Waterland (1) van Paul Terwan en Joke Stoop wordt die ontwikkeling als volgt gekenschetst: “Van maaien met de zeis of met een maaibakje van 1.25 meter, voortgetrokken door een paard, ging het naar een trekker met cyclomaaier, tegenwoordig soms met 3 maaiers op rij en 9 meter breed.”

Hier foto’s van paard en maaibakje en cyclomaaier en loondorsbedrijf met plastic balen hooi op bladzijde 32 van Boeren in Waterland

  • Paul Terwan en Joke Stoop: Boeren in Waterland, streekbewoners over veranderingen in het landschap, uitgeverij Matrijs , 2017Utrecht, 2017, 144 blz)

De veranderingen in het boerenbedrijf na de tweede wereldoorlog

In heel Waterland neemt de boerenstand na WO II gestaag af. In 1966 is 60% van de bedrijven kleiner dan 15 ha en de helft van de bedrijfshoofden is ouder dan zestig jaar.

Met de komst van de melkmachine stijgt wel het aantal koeien per bedrijf en die groei zet nog door met de komst van de eerste melkrobots in 1992.

Een zekere stabilisatie treedt op in 1984 na het invoeren van de melkqoutering , vooral bedoeld om het mestoverschot in heel Nederland terug te dringen. De laatste jaren is de veestapel weer flink in omvang gegroeid (ca. 20%) toen de quotering in 2015 werd opgeheven.

Die groei lijkt niet al te verstandig zijn geweest. Veel boeren hebben zich flink in de schulden gestoken en nu moet de veestapel – onder druk van de Europese normen voor mestuitstoot en fosfaat – weer flink worden ingekrompen. Lagere inkomsten en hogere schulden zijn het resultaat..

In het prachtige fotoboek Boeren van Amsterdam van Rachel Corner (foto’s) en Rudie Kagie (tekst)(2) is die afname van de boerenstand mooi gedocumenteerd en liefderijk beschreven.

  • Rachel Corner (fotografie) en Rudie Kagie (tekst): Boeren van Amsterdam, Holysloot 2005, 159 blz.

In geheel Amsterdam staan in 2004 volgens het CBS nog dertig veeboeren ingeschreven, twintig minder dan in 1993. De veestapel bedraagt 1351 melk- en vleeskoeien . Slechts acht bedrijven hebben meer dan 70 koeien op stal.

Gevolgen voor Holysloot en omgeving

In Holysloot is het aantal boeren verminderd van ………. naar ……. in 1993 en naar nog slechts 1 in 2018.

Ruwweg zijn er zes manieren waarop de boeren in Holysloot en omgeving zijn omgegaan met de gevolgen van de schaalvergroting en de toenemende mechanisatie en daarmee gepaard gaande afhankelijkheid van de grote zuivelfabriek(en) en de boerenleenbank.

  1. Teun Schouten vertrekt van Waterland naar het nieuwe land: Flevoland (Hij is in 1980 vertrokken uit Holysloot en had 33 ha. land en 46 koeien en 30 schapen; hij heeft in Flevoland een bedrijf van 40 hectare met 140 stuks melk- en jongvee).
  2. Hij verkoopt het melkvee en zijn melkquote en houdt nog wat klussen over (Aart Bakker aan het Kerkepad naar Uitdam en Cor Schoon uit Holysloot).

Cor Schoon moest in 1995 stoppen: “Milieubeheer kwam langs. De gier van mijn koeien liep in de sloot. Dat moest stoppen. Toen stond ik voor de keus: een paar ton uitgeven om het volgens de regels te doen of ophouden met boeren. Het werd het laatste…Mijn vader was met zeven koeien begonnen. Langzamerhand is dat opgebouwd. In het begin deed ik het samen met twee broers, maar die zijn al dertig jaar het huis uit. Daarna ging ik alleen verder. .Mijn topjaar was 1983. Datzelfde jaar werd de melkquotering ingevoerd, de superheffing die ging bepalen hoeveel je mocht melken. . Noodgedwongen moest ik minderen. Ik kwam uit op gemiddeld twintig koeien. Jarenlang ging dat goed maar door de milieumaatregelen die in 1993 werden opgelegd, moest ik afbouwen.. Nu heb ik wat paarden in de kost. Ik maai gras en verkoop dat. Ik help Splinter als hij het druk heeft. Verder klus ik hier en daar wat bij. Ik heb het nu rijker dan voorheen met mijn geploeter.” 

  1. Hij schakelt over van melkvee naar vleeskoeien en houdt daardoor tijd over (Teun Breedijk aan de Bloemendalergouw en …..)
  2. Hij kiest voor het diversifiëren van zijn boerenbedrijf en start een zorgboerderij en/of een kinderboerderij (….. bij Zunderdorp)
  3. De familie Hoogendoorn verhuist van het voormalige stoomgemaal aan de Rijperkolk naar de overkant van de Die aan de Rijperweg en zoon Hoogendoorn heeft daar nu een goedlopend boerenbedrijf met maximaal 100 koeien en wat schapen. De ruilverkaveling zorgt ervoor dat hij het land snel en goed bewerken. Hij komt daarmee tot dezelfde conclusie als het Samenwerkingsverband Waterland (een combinatie van boeren en natuurbeschermers in Waterland):

“Toen het Samenwerkingsverband in 2014 twee bijeenkomsten organiseerde met jonge boeren, bleek het aantal koeien dat je in je eentje aan kunt, op ongeveer honderd te liggen. Daarboven weegt de extra arbeid niet op tegen de melkopbrengst.”

  1. Wim Honing (aan de Bloemendalergouw in Ransdorp) en Dave Kruse (de enige boer nog in Holysloot) kiezen bewust voor een klein bedrijf met ca. 20 koeien. Wim Honing:”

 “ik heb indertijd een agrarische cursus gedaan. Daar werden berekeningen gemaakt van wat je als boer jaarlijks overhield. Wat bleek? Een knaap met drie keer zoveel koeien als ik kwam uit op hetzelfde netto-resultaat. Stel dat ik hier een grote stal neer zou zetten. Dat geld heb ik niet, dus ik moet lenen van de bank. Welke bank je ook neemt, ze stelen allemaal van je. .. Ik melk achttien koeien maar die vermelk ik voor mezelf. Dan houd je over. Die grote boer verderop melkt misschien honderd koeien, maar van de opbrengsten met hij machines bekostigen en leningen afbetalen. Per saldo komt hij ongeveer hetzelfde uit als ik.” (Boeren van Amsterdam, blz. 31)

Van een dorp met boeren en zeevaarders tot een dorp met burgers en buitenlui  

Holysloot is  in de loop van de tijd is veranderd van een dorp moet boeren en zeevaarders naar een dorp met veehouders en enkele neringdoenden en handelaars naar een dorp met burgers en buitenlui.

Uit de bevolkingsstatistieken die we hebben geraadpleegd over de periode van 1745 tot het midden van de vorige eeuw halen we de volgende kengetallen:

1745: overwegend landmannen en boerenknechten en een dominee

1832: het aantal veehouders neemt toe, boerenknechten blijven en er komen enkele neringdoenden bij (een slachter, een kruidenier, een visser en ……..) en een dominee en een hoofonderwijzer

1870 – 1900: overwegend veehouders en boerenknechten; er komen twee  kruideniers, een bakker, drie vissers, een smid en een timmerman en  De dominee en de hoofdonderwijzer blijven in het dorp wonen

1920 tot 1940: nog steeds overwegend veehouders en boerenknechten, maar ook drie vissers, drie kruideniers, een bakker, een timmerman, een poelier/eendenhouder, een slager, een veerman annex rijwielhersteller,

En uiteraard de dominee en de onderwijzer.

Na 1950: het aantal veehouders en boerenknechten neemt gestaag af. Daarvoor in de plaats komt een groot aantal mensen met zeer uiteenlopende (vrije) beroepen in het dorp wonen. De hoofdonderwijzer verdwijnt met de school.  De enige kruidenier verdwijnt en alleen de SRV rijdende winkel blijft nog over. Pensionados verrijken het plattelandsleven.

Dominees komen en gaan en worden weer beroepen.

De bestaansbronnen van de inwoners zijn zeer ingrijpend veranderd. Vrije beroepen en dienstverleners van allerlei aard domineren. Daarnaast vestigen zich een aantal pensionados en mensen met cratieve beroepen zich in het dorp. Het Schoolhuis wordt omgebouwd tot cafe-restaurant en de gereformeerde kerk wordt een woonhuis.